Hoe zorg je dat regionale en landelijke initiatieven op het gebied van gegevensuitwisseling elkaar versterken in plaats van naast elkaar bestaan? Die vraag stond centraal in een architectuurvergelijking tussen RSO Trijn en KIK-V. De vergelijking moest duidelijk maken of de regionale aanpak van RSO Trijn en de landelijke bouwstenen van KIK-V goed op elkaar aansluiten en samen een bruikbaar fundament vormen voor verdere ontwikkeling.

De vergelijking leverde vijf lessen op:

  • Begin met de opgave, niet met de techniek.
  • Creëer direct regionale waarde.
  • Zie KIK-V als een herbruikbaar fundament.
  • Houd gegevens bij de bron.
  • Sluit aan op landelijke en Europese ontwikkelingen.

In dit artikel delen Eva Marquarita (Directeur RSO Trijn), Joost Wildenberg (Implementatieadviseur KIK-V), Arjan Smit (Architect RSO Trijn) en Victor den Bak (Architect Zorginstituut Nederland) de vijf belangrijkste lessen uit de vergelijking.

Afbeelding 1: v.l.n.r. Joost Wildenberg, Eva Marquarita, Arjan Smit en Victor den Bak 


Waarom deze vergelijking?

RSO Trijn werkt in Midden-Nederland aan betere samenwerking tussen organisaties in zorg, welzijn en het sociaal domein. Het doel? Professionals ondersteunen en inwoners helpen sneller de juiste zorg en ondersteuning te krijgen, zonder steeds opnieuw hun verhaal te hoeven vertellen. Dit met behulp van duidelijke cross-sectorale afspraken, digitalisering, gegevensuitwisseling en databeschikbaarheid.

KIK-V is ontwikkeld om de administratieve lasten rond informatie-uitwisseling te verminderen. Binnen KIK-V werken zorgaanbieders samen met informatievragende partijen, zoals de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), Zorginstituut Nederland, zorgkantoren, Zorgverzekeraars Nederland (ZN), ActiZ, Patiëntenfederatie Nederland en het ministerie van VWS. Zoals implementatieadviseur Joost Wildenberg uitlegt: “Binnen KIK-V werken zorgaanbieders en informatievragende partijen samen om die informatie-uitwisseling zo goed en zo makkelijk mogelijk te laten verlopen.” 

Op het eerste gezicht lijken dat twee verschillende werelden. Maar beide maken gebruik van dezelfde gegevens uit de bron bij zorgaanbieders. Daarom onderzocht RSO Trijn hoe de regionale aanpak zich verhoudt tot de uitgangspunten van KIK-V. De vraag was simpel: sluiten regionale en landelijke ontwikkelingen op elkaar aan, of ontstaat er het risico op dubbele oplossingen? Het was een belangrijke verkenning om inzicht te krijgen in hoe de KIK-V aanpak optimaal kan worden ingebed in de architectuur en de doelstellingen van RSO Trijn en de aangesloten zorgorganisaties.

De uitkomst was positief: de architecturen van RSO Trijn en KIK-V sluiten goed op elkaar aan. Volgens de geïnterviewden sluit deze richting bovendien aan bij ontwikkelingen die momenteel landelijk en Europees vorm krijgen. Daarmee kunnen regio’s voortbouwen op bestaande bouwstenen in plaats van opnieuw oplossingen te ontwikkelen.

Begin met de opgave, niet met de techniek

Les 1: Formuleer een duidelijke visie

Databeschikbaarheid begint niet bij techniek, maar bij de vraag wat je als regio wilt bereiken. Pas daarna volgt de vraag welke gegevensuitwisseling en digitale oplossingen daarvoor nodig zijn, én hoe je daarbij kunt voortbouwen op wat er al beschikbaar is. Volgens Wildenberg geeft een duidelijke visie richting aan de regio. “Dat geeft perspectief in welke investeringen gedaan worden, maar ook waartoe die moeten leiden.” Voor Marquarita begint die visie bij samenwerking rond inwoners: “Hoe werken we samen rondom bepaalde vraagstukken van inwoners? Welke gegevensuitwisseling is daarvoor nodig en hoe ontsluit je data voor die samenwerking?”

Volgens Marquarita moet regionale samenwerking uiteindelijk maatschappelijke waarde opleveren voor zowel inwoners als professionals. Zoals zij het omschrijft: “Dat zorgprofessionals hun werk efficiënter en effectiever kunnen doen en daar meer plezier aan beleven, en dat inwoners een meer gelijkwaardige informatiepositie hebben en niet steeds opnieuw hun verhaal hoeven te vertellen.”

Om die maatschappelijke waarde te realiseren, moeten regio’s bewuste keuzes maken over de manier waarop gegevens worden vastgelegd, gedeeld en hergebruikt. Een duidelijke visie helpt regio’s om keuzes te maken en investeringen te richten op wat ze willen bereiken. Het is daarbij belangrijk om niet alleen naar het primaire zorgproces te kijken. Zoals Wildenberg uitlegt: “Eén van de adviezen is om dat ook te doen op secundair gebied.” Dat is volgens hem logisch, omdat beide toepassingen gebruik maken van dezelfde brongegevens. “De informatie die primair voor iets anders is vastgelegd, willen we voor een ander doel gaan gebruiken.”

Een visie alleen is daarbij niet voldoende. Zoals Arjan Smit benadrukt: “Databeschikbaarheid vraagt niet alleen om een inhoudelijke visie, maar ook om een gedeeld architectuurkader waarin afspraken over eigenaarschap, standaarden, gegevensuitwisseling en governance zijn vastgelegd. Dat maakt de stap van strategie naar realisatie sterker.”

Een goede visie staat bovendien niet op zichzelf. Volgens Wildenberg moet die “een optelsom zijn van regionale ambitie en landelijke kaders.” Daarbij is het volgens Marquarita belangrijk om bestaande initiatieven met elkaar te verbinden. “Voor secundair gebruik heb je allerlei initiatieven, zoals Health-RI, European Health Data Space (EHDS) en KIK-V. Deze mogen niet als losse eenheden gezien worden.”

Tip voor andere regio’s: investeer eerst in het gezamenlijke ‘waarom’. Een gedeelde visie op de opgave en de gewenste maatschappelijk waarde helpt om keuzes te maken over gegevensuitwisseling, techniek en investereingen. Zorg dat de visie zowel primair als secundair gebruik omvat, en dat zij landelijke ambities (KIK-V, CumuluZ, Twiin, Health-RI) en regionale ambities expliciet met elkaar verbindt.

Niet wachten, maar waarde creëren

Les 2: Creëer direct regionale waarde

Hoewel er nog verschillende vragen openstaan, heeft RSO Trijn ervoor gekozen om niet te wachten tot alles volledig is uitgewerkt. Volgens Marquarita willen veel bestuurders eerst meer duidelijkheid over de meerwaarde, kosten en inpassing van dergelijke ontwikkelingen binnen de regio: “Wat levert het op? Hoe sluit het aan bij de IZA-programmering? Wat kost het? En hoe voorkom je dat er opnieuw een versnipperd landschap ontstaat?”

De aanpak van RSO Trijn: ga niet groot uitrollen voordat er duidelijkheid is, maar ga ook niet stil zitten. Marquarita: “Wij creëren met bestuurders, CIO’s en architecten meer duidelijkheid, zodat we vervolgens keuzes kunnen maken over hoe we dat in eerste instantie in kleiner verband en vervolgens in opschaling gaan doen.”

Volgens Smit betekent klein beginnen niet dat iedere organisatie zijn eigen oplossing ontwikkelt. Juist door te werken binnen een gezamenlijk architectuurkader en landelijke standaarden blijven resultaten herbruikbaar en schaalbaar. Daarmee wordt voorkomen dat lokale oplossingen later opnieuw moeten worden aangepast of vervangen. Smit: “Start klein, maar doe dit binnen landelijke standaarden en een vooraf vastgesteld architectuurkader zodat resultaten schaalbaar blijven.” 

Het woord “proeftuin” wil Marquarita daarbij vermijden. “Daar krijgt iedereen tegenwoordig allergie van. Proeftuin betekent zoveel als: we gaan vrijblijvend iets proberen en als het niet helemaal naar smaak is, doe je het weer weg. Dat is zonde.” RSO Trijn werkt liever met koploperteams van een paar grote, middelgrote en kleinere zorgaanbieders, waarin lessen direct meegaan naar opschaling.

Wildenberg herkent dit patroon uit andere regio’s. “In Midden- en West-Brabant en de Achterhoek zie je dat het op een gegeven moment gaat lopen. De aansluiting met wat er in de regio gebeurt, wat men daar wil doen, is heel belangrijk. De waarde zit niet alleen in het makkelijker uitwisselen van gegevens, maar ook in wat het in de regio oplevert.”

Marquarita ziet een belangrijke rol voor landelijke sturing. “Eigenlijk moeten we allemaal hetzelfde doen, je wilt geen regionale standaarden creëren.” Regio’s moeten volgens haar niet ieder een eigen aanpak ontwikkelen, maar aansluiten op gezamenlijke afspraken. Tegelijkertijd zijn er nog vragen over bijvoorbeeld financiering en inrichting van datastations.

Voor de verdere uitwerking daarvan zijn nog gesprekken en besluitvorming nodig bij partijen zoals het Zorginstituut, zorgverzekeraars en VWS. Voor RSO Trijn is dat echter geen reden om af te wachten. De organisatie kiest ervoor om nu al voorbereidende stappen te zetten en de resterende vraagstukken gaandeweg verder uit te werken.

Tip voor andere regio’s: wacht niet op het perfecte landelijke plaatje. Begin met een handzame groep zorgaanbieders, kies een concreet probleem waar je direct waarde creëert, en gebruik die ervaring om verder op te schalen. Maar doe dat binnen landelijke standaarden, niet ernaast.

KIK-V als fundament, niet als los programma

Les 3: KIK-V is een herbruikbaar fundament

De architectuurvergelijking (zie figuur 1) moest duidelijk maken of de uitgangspunten en voorzieningen van KIK-V ook bruikbaar zijn binnen een regionale aanpak van gegevensuitwisseling. Smit: “We wilden voorkomen dat de organisaties in de regio allemaal opnieuw oplossingen gingen ontwikkelen voor vraagstukken die landelijk al zijn uitgewerkt.” Want als er landelijk al afspraken en voorzieningen bestaan om gegevens bij de bron te houden, met dezelfde definities te werken en gegevens op een gestandaardiseerde manier beschikbaar te maken, waarom zou iedere regio dat opnieuw ontwikkelen?

De vergelijking bevestigde dat regio’s niet opnieuw het wiel hoeven uit te vinden. De uitgangspunten van KIK-V passen goed binnen de regionale aanpak van RSO Trijn. Daarmee laat de vergelijking zien dat KIK-V breder inzetbaar is dan de oorspronkelijke toepassing waarvoor het is ontwikkeld en kan dienen als fundament waarop regio’s kunnen voortbouwen. Volgens Smit laat KIK-V in de praktijk zien hoe gegevens kunnen worden opgevraagd zonder deze centraal te verzamelen. De data blijft bij de zorgorganisatie zelf, die alleen antwoord geeft op de gestelde vraag. Hoewel KIK-V oorspronkelijk is ontwikkeld voor verantwoordingsinformatie, is diezelfde werkwijze volgens hem ook bruikbaar voor andere toepassingen.

Volgens Victor den Bak zit daar precies de kracht van KIK-V. Het is geen theoretisch model, maar iets dat vandaag al werkt. “KIK-V is operationeel, het wordt nu gebruikt. En het is volledig op de principes van databeschikbaarheid ingericht. Een heel behapbaar en concreet voorbeeld.”

Een belangrijk onderdeel daarvan is de modelgegevensset. Daarmee werken organisaties met dezelfde definities en dezelfde afspraken over welke gegevens worden vastgelegd en hoe die worden geïnterpreteerd. Dat maakt gegevens beter vergelijkbaar en zorgt ervoor dat dezelfde gegevens voor meerdere doelen kunnen worden gebruikt. Den Bak: “We willen appels en appels vergelijken, niet appels en peren.”

Dat KIK-V breder inzetbaar is dan de oorspronkelijke informatie-uitwisseling waarvoor het is ontwikkeld, blijkt ook uit andere initiatieven. Zo is in de Achterhoek binnen de beproeving GERDA × KIK-V onderzocht hoe bestaande KIK-V bouwstenen kunnen worden ingezet voor regionale onderzoeks- en beleidsvragen. Het uitgangspunt is hetzelfde: gegevens één keer beschikbaar maken en vervolgens voor meerdere doelen gebruiken. Zoals Den Bak uitlegt: “Als je toch al een aantal bronnen op een uniforme manier ontsloten hebt, kun je ook onderzoeksvragen die regionaal leven beantwoorden op basis van diezelfde data.”

Figuur 1: Visualisatie van de architectuur

Tip voor andere regio’s: Kijk niet alleen naar KIK-V als een oplossing voor één specifieke informatievraag. De vergelijking met RSO Trijn laat zien dat de onderliggende principes en voorzieningen ook bruikbaar zijn in een bredere regionale context.

Data bij de bron

Les 4: Behoud lokale controle over data

Een van de belangrijkste overeenkomsten tussen RSO Trijn en KIK-V is dat gegevens bij de bron blijven. De data reist niet naar de vraag, maar de vraag naar de data. Dit principe wordt vaak omschreven als federatieve databeschikbaarheid. Zowel regionaal als landelijk wordt bewust gekozen voor een aanpak waarbij zorgorganisaties eigenaar blijven van hun eigen gegevens en systemen.

Zoals Smit uitlegt: “Wij willen niet met een regionaal dataplatform een regionaal datawarehouse genereren of een data lake. Wij willen een netwerk maken van alle verbonden databronnen, voor zowel primair als secundair gebruik.” Met andere woorden: gegevens worden niet eerst naar één centrale plek gekopieerd, maar blijven bij de zorgorganisatie zelf.

Volgens Smit heeft dat meerdere voordelen. Zorg- en welzijnsorganisaties houden controle over hun eigen gegevens en blijven verantwoordelijk voor de kwaliteit, actualiteit en rechtmatige verwerking ervan. Bovendien voorkomt het dat gevoelige zorgdata centraal wordt opgeslagen. “Het creëert vertrouwen dat zij de regie hebben over hun eigen data.”

Ook Den Bak ziet voordelen in deze aanpak. Gegevens die rechtstreeks uit de bron komen, zijn vaak betrouwbaarder dan informatie die speciaal voor een uitvraag wordt verzameld. “We hebben veel werkprocessen waarin die brondata veel beter van kwaliteit is dan een extra lijstje dat we even bijhouden voor een uitvraag.”

Volgens Den Bak levert dat niet alleen betere data op, maar ook meer privacy. Hij noemt als voorbeeld een vraag naar het verzuimpercentage. Daarvoor hoeft niet een volledige dataset met personeelsgegevens te worden gedeeld. De vraag kan binnen de omgeving van de zorgorganisatie worden beantwoord, waarna alleen het antwoord wordt teruggestuurd. “Dat is veel veiliger dan het delen van complete datasets die vervolgens kunnen uitlekken.”

De vergelijking laat zien dat regionale en landelijke initiatieven hier dezelfde richting kiezen. Door gegevens bij de bron te laten, houden zorgorganisaties de regie over hun eigen data, terwijl gegevens toch beschikbaar kunnen worden gemaakt voor zorg en ondersteuning, onderzoek, beleid en verantwoording.

Tip voor andere regio’s: houd gegevens zoveel mogelijk bij de bron. Dat vergroot het vertrouwen, verbetert de kwaliteit van gegevens en verkleint de risico’s rond privacy en informatiebeveiliging.

Sluit aan op wat landelijk en Europees ontstaat

Les 5: Blijf landelijke en Europese ontwikkelingen volgen

Databeschikbaarheid stopt niet bij de grens van een regio. Zorgorganisaties, regionale samenwerkingsverbanden en landelijke programma’s bouwen steeds vaker aan dezelfde opgave. Volgens Smit is het daarom belangrijk om die ontwikkelingen actief te volgen. Hij noemt onder meer de EHDS, Health-RI, CumuluZ, Twiin, de Wegiz, eIDAS en open standaarden zoals FHIR. 

Voor RSO Trijn bevestigen die ontwikkelingen vooral dat de gekozen richting klopt. Smit: “Als ik naar de EHDS kijk, bevestigt het dat we met federatieve databeschikbaarheid de juiste richting op bewegen. Europa stuurt op gestandaardiseerde toegang tot gegevens, met zoveel mogelijk hergebruik, zonder dat we weer één grote bak van data ergens centraal wegzetten.”

Een belangrijk uitgangspunt daarbij zijn de FAIR-principes: gegevens moeten vindbaar, toegankelijk, uitwisselbaar en herbruikbaar zijn. Zoals Den Bak zegt: “Dat we diezelfde brondata dus meervoudig kunnen gebruiken. Voor zorgprocessen, in de keten en voor verantwoording. Enkelvoudig registreren en meervoudig gebruik.”

Aansluiten vraagt om een actieve houding. Smit probeert dat vanuit zijn rol te doen door bijvoorbeeld deel te nemen aan de architectuurcommissie van RSO Nederland en door samen te werken met partijen als Nictiz. “Zo blijf ik aangesloten, en kan ik ook Eva Marquarita of de CIO’s in de regio adviseren van: die kant gaat het op, dat is slim om te doen.”

Tip voor andere regio’s: bouw niet alleen voor je eigen regio. Sluit aan op wat landelijk en Europees ontstaat, zodat oplossingen uitwisselbaar blijven en je kunt profiteren van kennis en ervaringen die elders al zijn opgedaan.

Conclusie

De architectuurvergelijking levert een geruststellende conclusie op: de uitgangspunten van KIK-V en RSO Trijn sluiten goed op elkaar aan. Sterker nog, de vergelijking laat zien dat beide uitgaan van dezelfde principes: gegevens bij de bron, hergebruik van data, open standaarden en eigenaarschap bij de zorg- en welzijnsorganisaties.

Dat betekent niet dat alles al klaar is. Op dit moment bestaan er nog losse datastations: één voor het primaire proces (de directe zorg rondom één patiënt) en daarnaast aparte stations voor secundair gebruik, zoals KIK-V, regionale datawerkplaats en Health-RI. “Je wilt een zorgorganisatie niet opzadelen met drie verschillende datastations”, waarschuwt Smit. Volgens Den Bak bewegen die voorzieningen wel naar elkaar toe, richting dezelfde stip op de horizon. Het samenbrengen van de techniek is vooral nog een kwestie van tijd en organisatie.

Daarmee verschuift de aandacht naar een andere uitdaging. “De technologie kan dit allemaal, maar het is voornamelijk ook een veranderopgave voor organisaties”, benadrukt Marquarita. “Wees je ervan bewust, ga er op tijd mee aan de slag, onderschat het niet. We moeten er hulpmiddelen voor creëren en het minder een technologisch feestje laten zijn.”

Ook Wildenberg ziet dat de grootste opgave niet in de techniek zit, maar ook in de manier waarop landelijke en regionale partijen samenwerken. Volgens hem ontstaat succes pas wanneer landelijke kaders en regionale uitvoering goed op elkaar aansluiten. 

Daarnaast is de belangrijkste les uit de architectuurvergelijking dat regio’s niet vanaf nul hoeven te beginnen. Er ligt al veel kennis, ervaring en infrastructuur waarop kan worden voortgebouwd. KIK-V laat in de praktijk zien hoe databeschikbaarheid werkt. Landelijke en Europese ontwikkelingen bewegen steeds meer dezelfde kant op. De uitdaging is niet om opnieuw oplossingen te bedenken, maar om bestaande bouwstenen slim te gebruiken en samen verder te brengen.

“Pak een casus. KIK-V is daar een heel goede van”, vat Den Bak samen. Want juist door te beginnen wordt duidelijk dat databeschikbaarheid niet alleen een technische opgave is, maar vooral een kwestie van samenwerken, organiseren en leren van elkaar. Den Bak: “Een KIK-V-implementatie levert niet alleen waardevolle praktijkervaring op met databeschikbaarheid. Zorgaanbieders profiteren ook direct van minder administratieve lasten en beter inzicht in hun eigen gegevens.” 

Niet wachten dus. Beginnen. Wie laagdrempelig wil starten, kan gebruikmaken van het ondersteuningsaanbod van KIK-V.